Vaccineren tegen het coronavirus: overboord met Nederlandse tradities?

Nu Nederland vanaf deze week is begonnen met het vaccineren van mensen tegen het coronavirus, is het razend interessant stil te staan bij de juridische mogelijkheden met betrekking tot vaccinatiewetgeving. Veel mensen vragen zich immers af of zij zich wel moeten laten vaccineren tegen het coronavirus, omdat zij niet weten welke bijwerkingen of andere medische gevolgen aan de vaccinatie zouden kunnen kleven, of wellicht omdat zij het coronavirus al hebben gehad en daardoor een vaccinatie hen wellicht om die reden niet zinvol lijkt. De laatste maanden is in een aantal steekproeven een behoorlijke dalende, maar daaropvolgend juist weer een stijgende lijn te zien van het aantal mensen dat zich tegen het coronavirus zou willen laten vaccineren. In de laatste peilingen van steekproeven van medio december 2020 zou de vaccinatiebereidheid liggen op ongeveer 69 procent van de Nederlanders.


Het debat met betrekking tot vaccineren in het algemeen is echter absoluut niet nieuw. Het garanderen van groepsbescherming is bij het vaccineren eigenlijk altijd het uitgangspunt geweest. In november 2018 presenteerde Staatssecretaris Blokhuis van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport naar aanleiding van de sinds begin 2018 geconstateerde Europese mazelenuitbraken een Kamerbrief waarin zes actielijnen werden aangekondigd om de toen al geconstateerde lichtelijk afnemende vaccinatiegraad bij baby’s proberen tegen te gaan. Hoewel vier actielijnen erop gericht zouden zijn de vrijwillige vaccinatiebereidheid bij ouders te stimuleren, werd ook de mogelijke invoer van maatregelen met een verplichtend karakter aangehaald.[1] Vóór corona was de discussie in Nederland dus voornamelijk toegespitst op het verplicht vaccineren van kinderen en de rol die kinderopvangen daarbij spelen.

In andere Europese landen zijn de discussies met betrekking tot verplicht vaccineren ook zeker niet nieuw. Dergelijke discussies hebben ertoe geleid dat in België, Frankrijk, Italië en Duitsland in het verleden al min of meer verplichtende maatregelen tot vaccineren zijn ingevoerd.


Men is het er over eens dat Nederland zeker geen overtuigende traditie van verplicht vaccineren kent. Maatregelen tot het verplicht vaccineren worden in Nederland veelal afgedaan als niet passend binnen de samenleving, hoewel ook Nederland vanaf 1872 tot 1975 een verplichte vaccinatie tegen pokken (het pokkenbriefje) kende. Opmerkelijk is echter wel dat Nederlandse regeringen in het verleden een vaccinatieplicht niet ondenkbaar achtte, maar juist louter onuitvoerbaar wegens praktische redenen in het kader van de handhaafbaarheid van een dergelijke plicht. Verdere nadelen werden gezien in de mogelijke averechtse werking die zou kunnen ontstaan wanneer mensen de druk van een verplichting zouden voelen. Daarom is in Nederland in het verleden altijd ingezet op een goede voorlichting om mensen ervan te overtuigen zich te laten vaccineren. Gezien de relatief hoge vaccinatiegraad onder Nederlanders lijkt deze keuze een juiste keuze te zijn geweest.


Vaccinatieplicht of vaccinatiedrang?

Hoewel Nederland in het algemeen dus geen vaccinatieplicht kent, wordt wel gevreesd dat men naar een vaccinatiedrang zou willen gaan toewerken om de groepsbescherming te vergroten. In dit verband wordt in de volksmond vaak foutief gesproken over vaccinatiedwang. Waar een vaccinatieplicht een harde wettelijke plicht om te vaccineren creëert, die bij overtreding bijvoorbeeld kan worden bestraft, behelst vaccinatiedwang juist het wegnemen van de keuzevrijheid tot vaccineren, door de rechter opgelegd.


Waar het hier dus om gaat is of de overheid het zich zou kunnen permitteren over te gaan tot een vaccinatiedrang, wat betekent dat de keuzevrijheid van mensen deels wordt weggenomen door hen van bepaalde goederen en diensten uit te sluiten wanneer zij besluiten zich niet te laten vaccineren. Ook bedrijven zouden over kunnen gaan tot weigering van mensen die zich niet hebben laten vaccineren, maar moeten daarbij net als de overheid grondrechten in acht nemen.


Inbreuk op grondrechten?

De overheid heeft zich aldus de taak opgelegd besmettelijke ziektes zoveel mogelijk tegen te gaan en de bevolking ertegen te beschermen. Op dit moment is dit gegeven in de basis verankerd in artikel 22 van de Grondwet, waarop het huidige Rijksvaccinatieprogramma is gestoeld. Indien de wetgever er echter voor zou kiezen wetgeving te maken met een (indirect) verplichtend karakter, zou dit een strijd met grondrechten kunnen opleveren. Zo zouden het recht op leven (artikel 2), het recht op eerbiediging van het privé-, familie- en gezinsleven (artikel 8), en de vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst (artikel 9) van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens kunnen worden geschonden. Een schending is echter niet vanzelfsprekend, nu voornoemde grondrechten kunnen worden ingeperkt.


Ten aanzien van artikel 2 EVRM is de tendens dat dit artikel juist een positieve verplichting voor de overheid schept om het recht op leven te beschermen, door juist ervoor te zorgen dat zoveel mogelijk mensen worden gevaccineerd. Het recht op leven wordt juist meer gegarandeerd door het met vaccinaties beschermen van de bevolking. Tevens worden hierdoor mensen beschermd die om medische redenen echt niet kunnen worden gevaccineerd. Een inbreuk op artikel 2 EVRM lijkt dus gerechtvaardigd, of een vaccinatie nu verplicht is of niet.


Ten aanzien van artikel 8 EVRM is vooral zichtbaar dat een vaccinatieplicht wèl een inbreuk zou kunnen maken op de grondrechten, maar dat deze inbreuk gerechtvaardigd is, omdat een vaccinatieplicht in het algemeen belang nodig kan zijn ter bescherming van de gezondheid van de bevolking. Wanneer bijvoorbeeld mensen zonder medisch risico besluiten zich niet te laten vaccineren, en dit ten koste gaat van de gezondheid van mensen die zich wel laten vaccineren, is het belang van mensen die zich wel laten vaccineren een belang dat zwaarder kan wegen dan de aantasting van de lichamelijke integriteit van degene die zich onttrekt aan de vaccinatieplicht. Een indirecte drang, door het uitsluiten van goederen en diensten van mensen die zich niet laten vaccineren, lijkt daarmee in beginsel mogelijk.


Ten aanzien van artikel 9 EVRM gaat het om bepaalde religieuze of levensbeschouwelijke principes die mensen kunnen aanhalen om hun bezwaar tegen vaccineren te onderbouwen. Zo vloeit uit artikel 9 EVRM het Nederlandse gelijkebehandelingsrecht voort. Een vaccinatiedrang kan een inbreuk van dit gelijkebehandelingsrecht opleveren wanneer mensen hierdoor uitgesloten worden van bepaalde goederen en diensten. Echter kan een inbreuk ook hier weer gerechtvaardigd zijn, indien door de vaccinatiedrang de verdere uitbraak van een ernstige besmettelijke ziekte die een groot gevaar voor de gezondheid kan opleveren, zoals wellicht het coronavirus, kan worden voorkomen.


De conclusie die kan worden getrokken is dat de Nederlandse traditie een formele vaccinatieplicht vrijwel doet uitsluiten, maar dat een vaccinatiedrang zeker niet direct in strijd hoeft te zijn met grondrechten. De overheid kan dus eventueel middelen inzetten om mensen ertoe te bewegen zich te laten vaccineren tegen het coronavirus!

Heeft u juridische vragen over het coronavirus, twijfelt u aan uw rechtspositie met betrekking tot het vaccineren tegen het coronavirus of heeft u bijvoorbeeld als werknemer zorgen over uitingen die uw werkgever in het kader van het verplichten van een vaccinatie op de werkvloer heeft gedaan? Neem dan gerust contact met ons op!

[1] Kamerstukken II 2018/19, 32793, 338

Uitgelichte berichten
Recente berichten