PERIKELEN RONDOM SPOEDEISENDE BESTUURSDWANG


De huidige bestuurswetgeving biedt een bestuursorgaan in artikel 5:31 van de Algemene Wet Bestuursrecht de mogelijkheid om van de reguliere bestuursdwangregeling af te kunnen wijken. Dit kan indien er sprake is van een spoedeisende of een zeer spoedeisende situatie.


Een burger kan zich hiertegen verzetten in een beroep- of bezwaarprocedure, maar dit kan alleen achteraf: het kwaad is dan al geschied. Daarom stelt de rechter strenge eisen aan de toepassing van deze spoedeisende regelgeving door de rechter. De noodzaak waarvoor de overheid direct moet optreden dient helder te zijn. Dit moet onder meer blijken uit de genomen herstelmaatregelen ‘an sich’ en het ‘direct’ uitvoeren ervan. Zowel de wet als de rechtspraak is hier duidelijk over.


Een voorbeeld hiervan is een onlangs door de gemeente met spoed gesloten woning vanwege een vermeend acuut instortingsgevaar. De bewoner werd bij besluit – vanwege het instortingsgevaar- geen gelegenheid geboden om de verboden situatie zelf te herstellen conform artikel 5:31 lid 2 AWB. De situatie zou worden hersteld op kosten van de bewoner, aldus het besluit. De bewoner verweert zich bij de voorzieningenrechter en de bezwaarcommissie. Wat was er gebeurd?


Op enig moment werd de politie geïnformeerd dat er zich op het huisadres van de bewoner een hennepplantage zou bevinden. Hoewel er door de politie geen strafbaar feit werd vastgesteld , troffen zij wel een illegaal uitgegraven kelder aan onder de woning. De politie heeft hierop de gemeente gewaarschuwd. De gemeente sloot na onderzoek diezelfde dag, op grond van de spoedeisende regelgeving artikel 5:31 lid 1 en 2 AWB, de woning. Volgens de gemeente was er sprake van een acuut instortingsgevaar en zou de veiligheid van de omgeving en de bewoners in het gedrang zijn. Het besluit werd daags erna aan de bewoner toegestuurd. Uit het besluit bleek dat de gemeente voornemens was om op kosten van de bewoner van de woning herstelmaatregelen uit te voeren. Deze herstelmaatregelen, die overigens niet inhoudelijk concreet werden uitgeschreven, zouden veertien dagen na datum van het besluit worden uitgevoerd.


De bewoner van de gesloten woning heeft zich vervolgens tot de voorzieningenrechter gewend. De bewoner heeft tijdens deze procedure aangevoerd dat de gemeente- los van de eventuele onrechtmatigheid van de uitgegraven kelder- op een onjuiste rechtsgrond de woning heeft gesloten. Ten eerste kon vanwege de datum van de voorgenomen herstelmaatregelen – veertien dagen na datum besluit- , niet meer van ‘spoed’ , laat staan van ‘zeer spoed’ worden gesproken. De gemeente had de bewoner derhalve een begunstigingstermijn moeten bieden, ook al was dit maar een korte. Ten tweede had de gemeente verzuimd de herstelmaatregelen voor de bewoner uit te schrijven. De bewoner kon nu enkel gissen welke herstelmaatregelen hij dan zou dienen uit te voeren om alsnog aan het onderhavige besluit te voldoen. Het beginsel van rechtszekerheid brengt met zich mee dat het voor de bewoner duidelijk moet zijn welke herstelmaatregelen exact van hem worden verwacht.


De voorzieningenrechter volgde de bewoner in zijn redenering. De voorzieningenrechter oordeelde dat de zeer spoedeisendheid die de gemeente als grondslag voor het sluiten van de woning heeft gebruikt – vanwege het tijdsverloop van veertien dagen voor haar herstelmaatregelen - niet overeind kon blijven. De gemeente had de bewoner derhalve een begunstigingstermijn moeten verlenen.


Het verweer van de gemeente dat ook een voorbereiding van de te nemen herstelmaatregelen als herstelmaatregel ‘an sich’ dient te worden opgevat en derhalve wel tijdig is genomen, mocht haar niet baten. De voorzieningenrechter volgde de redenering van de gemeente - met uitleg van artikel 5:31 AWB lid 1 en 2 en vigerende rechtspraak - niet.


Voorts oordeelde de voorzieningenrechter dat het bestuursorgaan de herstelmaatregelen in haar besluit wel heeft genoemd, doch had verzuimd om deze concreet voor de bewoner uit te schrijven, hetgeen bovendien een schending oplevert van het rechtszekerheidsbeginsel. De bewoner dient immers op de hoogte te zijn welke herstelmaatregelen van hem worden verwacht. Het bestuursorgaan werd met klem geadviseerd de bewoner alsnog de herstelmaatregelen zelf uit te laten voeren, maar dan onder ‘last onder bestuursdwang’, temeer door de verstreken periode van inmiddels vier maanden na datum van haar besluit.


Hoewel de voorzieningenrechter het onderhavige besluit in stand liet, blijkt dat de voorzieningenrechter de strenge eisen hanteerde die wet voorschrijft aan de toepassing van artikel 5:31 lid 1 en 2 BW. Veertien dagen tussen de datum van het onderhavige besluit en de herstelmaatregel is echt te lang. Voorts bleek uit de uitspraak van de voorzieningenrechter andermaal, dat in een (zeer) spoedeisend besluit de herstelmaatregelen toch dienen te worden omschreven. Hoewel deze niet door de bewoner konden worden uitgevoerd werd verzuim ervan de gemeente – conform vigerende rechtspraak- toch aangerekend.


Inmiddels is de bewoner gehoord en heeft de commissie de gemeente -in voordeel van de bewoner geadviseerd -om hem een begunstigingstermijn te verlenen. De gemeente heeft het advies van de commissie gevolgd, en de bewoner een termijn van vijf weken verleend om de illegaal uitgegraven kelder in de oude toestand te herstellen.

Uitgelichte berichten
Recente berichten
Archief
Zoeken op tags
Volg ons
  • Facebook Basic Square
  • Twitter Basic Square
  • Google+ Basic Square

Telefoon 045-571 4576

Fax 045-5713026

 

info@boumans-adv.nl

Openingstijden:

Ma-vr 8:30 tot 17:00 uur

Samenwerking

Algemene voorwaarden

Privacy statement

Klachten

  • Wix Facebook page
  • LinkedIn Social Icon