Te laat, of niet te laat…..


Onderhavige zaak nam ik over van een collega. Hierdoor werd ik pas betrokken bij de procedure in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep in Utrecht. De Centrale is een van de drie hoogste bestuursrechters die Nederland kent. De Centrale Raad oordeelt in hoger beroep onder meer over geschillen op het terrein van sociale verzekeringen en sociale voorzieningen.

In mijn zaak bestaat er een geschil met het college van burgemeester en wethouders van een Nederlandse gemeente. Cliënt heeft een uitkering op grond van de Participatiewet aangevraagd, ook nog wel bekend als een bijstandsuitkering. Omdat het hier een sociale voorziening betreft, vindt het hoger beroep plaats bij de Centrale Raad van Beroep.

De bijstandsaanvraag van cliënt wordt vervolgens door het college afgewezen omdat cliënt niet alle verzochte bewijsstukken op tijd zou hebben afgegeven bij de behandelaar. Tijdens de zitting in Utrecht was er geen discussie meer over de vraag of cliënt de bijstandsuitkering ook daadwerkelijk nodig had. Voordat procedures in hoger beroep op zitting komen, is er namelijk vaak al enige tijd verstreken en cliënt ontvangt inmiddels een bijstandsuitkering. De vraag die beantwoord moest worden is: had het college de eerste bijstandsaanvraag mogen afwijzen omdat cliënt te laat had gereageerd. Mijn standpunt is dat cliënt helemaal niet te laat had gereageerd en dat de bijstandsaanvraag daarom niet afgewezen had mogen worden. Dit zal ik hieronder nader toelichten.

De gemeente heeft aan cliënt een brief verzonden. In deze brief stond dat cliënt werd uitgenodigd voor een gesprek op 14 februari om 9 uur in de ochtend en dat hij de verzochte bewijsstukken moest meenemen. Verder stond in de brief dat dit de laatste kans is voor cliënt om de stukken aan te leveren en dat de stukken op 14 februari binnen moeten zijn. Deze brief werd per aangetekende post verzonden. Cliënt is niet thuis op het moment dat de postbode langs komt. De postbode geeft de brief daarom uiteindelijk af bij het postkantoor, bij een aangetekende brief moet de geadresseerde namelijk tekenen voor ontvangst. Cliënt vindt aldus een briefje van de postbode in zijn brievenbus. Hierop staat dat er een aangetekende brief voor hem ligt bij het postkantoor. Hij haalt deze brief 5 dagen later op. Het postkantoor ligt namelijk niet om de hoek en is gesloten in het weekend.

Betrokkene opent vervolgens de brief en ziet dat hij die ochtend om 9 uur bij de gemeente op afspraak had moeten komen! Hij belt direct naar de gemeente en vraagt naar zijn behandelaar. Hij geeft aan nu pas de brief te openen en dat hij daarom niet op de afspraak is verschenen. De gemeente kan ook zien dat cliënt de brief pas heeft opgehaald, hij heeft tenslotte op het postkantoor getekend voor ontvangst. Maar daar heeft de behandelaar bij de gemeente geen boodschap aan. Te laat is te laat. De aanvraag wordt dezelfde dag nog afgewezen.

Wat gaat er hier mis? Allereerst gaat het mis wanneer wordt gekeken naar het menselijk aspect. Aan cliënt wordt een niet al te lange termijn gegeven (enkele dagen) om op afspraak te komen en wordt alleen geïnformeerd per brief. Het kan dan gebeuren dat de post te laat arriveert of te laat gelezen wordt. In dit geval neemt de cliënt nog op dezelfde dag van de afspraak contact op. Hij is ook bereid om direct naar de gemeente te komen, maar hij is helaas niet welkom. Een houding als hier is aangenomen door de gemeente kan ook wel geschaard worden onder de noemer ‘excessief formalisme’, vrij vertaald: heel strikt vasthouden aan regels (of afspraken). De vraag is of een gemeente op deze manier met behoeftige burgers om wil gaan.

Vervolgens gaat het ook juridisch mis. De gemeente heeft in de betreffende brief aangegeven dat de stukken ingediend moeten worden op 14 februari. Om 3 uur in de middag (toen cliënt belde) was inderdaad het tijdstip van de afspraak verstreken, maar de dag was nog lang niet voorbij en dus mochten de stukken nog acht uur lang ingediend worden.

Hier was de Centrale Raad het gelukkig mee eens. Wat de Centrale Raad belangrijk vindt, is dat de gevolgen van de afwijzing van de uitkering grote gevolgen hebben. Dit betekent namelijk dat cliënt geen enkele vorm van inkomsten heeft. De behoefte aan bijstand door cliënt stond ook al vast in deze zaak, gezien de situatie dat hij inmiddels daadwerkelijk bijstand ontving.

De les die getrokken kan worden uit deze uitspraak is dat als gemeenten zich zo formeel willen opstellen tegenover hun burgers, ze ervoor moeten zorgen dat ze ook zelf duidelijk zijn in hun correspondentie en contacten met de burgers, anders worden ze afgestraft door de rechter.

Uitgelichte berichten
Recente berichten
Archief
Zoeken op tags
Volg ons
  • Facebook Basic Square
  • Twitter Basic Square
  • Google+ Basic Square

Telefoon 045-571 4576

Fax 045-5713026

 

info@boumans-adv.nl

Openingstijden:

Ma-vr 8:30 tot 17:00 uur

Samenwerking

Algemene voorwaarden

Privacy statement

Klachten

  • Wix Facebook page
  • LinkedIn Social Icon