Grootouders buitenspel?!


Het is de angst van iedere oma of opa: na jarenlang een goed contact met de kleinkinderen wordt door een echtscheiding van de ouders, een ruzie met de ouders, of het overlijden van een van de ouders het contact met de kleinkinderen van de ene op de andere dag verbroken. Ondanks het feit dat op voorhand een ieder dit hoogstwaarschijnlijk niet wenselijk acht, is het geschetste scenario in de praktijk steeds meer regel dan uitzondering. Een onderzoek van Plus Magazine in 2008 heeft uitgewezen dat voor 53 procent van de grootouders het contact met de kleinkinderen, over het algemeen in negatieve zin, verandert[1]. Schrikbarend is het feit dat 12 procent van de grootouders de kleinkinderen na een echtscheiding van de ouders helemaal niet meer te zien krijgen. Dit terwijl grootouders in de laatste jaren meer en meer een grotere rol spelen bij de opvoeding van de kleinkinderen.

Politiek Den Haag heeft gemeend gehoor te moeten geven aan de voornoemde zorgwekkende signalen. Althans, de CDA-kamerleden Oskam en Keijzer hebben op 3 maart 2015 de initiatiefnota ‘Opgroeien met opa en oma’ ingediend[2]. Middels de voornoemde initiatiefnota verzoeken Oskam en Keijzer de Tweede Kamer te bevorderen dat het omgangsrecht van grootouders met de kleinkinderen alsmede een informatieregeling voor grootouders expliciet wordt opgenomen in het Burgerlijk Wetboek. Het belang van het kind dient hierbij uiteraard leidend te zijn. Nadat de Minister van Veiligheid en Justitie in zijn reactie op de initiatiefnota van 22 januari 2016 te kennen geeft dat het wettelijk vastleggen van het omgangsrecht en de informatieregeling van en voor grootouders leidt tot een extra juridische claim voor de kinderen en derhalve niet in het belang van de kinderen is, blijkt ook dat de Tweede Kamer, ondanks dat men het een sympathiek voorstel vindt, geen reden ziet om het omgangsrecht en de informatieregeling van en voor grootouders in de wet te verankeren.

Echter, het is niet zo dat grootouders zonder dit expliciete recht geen aanspraak kunnen maken op omgang met de kleinkinderen. Artikel 1:377a van het Burgerlijk Wetboek bepaalt namelijk dat ieder kind recht heeft op omgang met zijn ouders en met degene die in nauwe persoonlijke betrekking tot hem of haar staat, uitgezonderd de situaties welke in het tweede lid van dit artikel zijn opgesomd. Voor de invulling van het criteria wordt aansluiting gezocht bij artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Het laatstgenoemde artikel bepaalt dat een ieder recht heeft op respect voor zijn privé-, familie- en gezinsleven. De nauwe persoonlijke betrekking is echter zeer casuïstisch en het is aan de grootouders om aan te tonen dat er daadwerkelijk sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft recentelijk geconcludeerd dat het contact tussen de grootouders en de kleinkinderen zodanig moet zijn dat de grootouders een substantieel deel van de verzorging en opvoeding van de kleinkinderen voor hun rekening hebben genomen of dat er sprake was van een zodanig structurele en intensieve oppasregeling dat deze het gebruikelijke contact tussen grootouders en kinderen oversteeg[3]. Een tijdelijk intensiever contact na de geboorte van de kinderen achtte het Gerechtshof niet van dien aard dat de nauwe persoonlijke betrekking kan worden aangetoond. Het enkel bestaan van een afstammingsband is onvoldoende.

Desondanks is het afdwingen van een omgangsregeling voor grootouders met kleinkinderen geen onmogelijk opgave. Een voorbeeld uit eigen praktijk maakt duidelijk dat de rechtbank grootouders niet altijd zonder meer buiten spel zet. De kleinkinderen werden in het verleden uit huis geplaatst bij grootouders. Bureau Jeugdzorg verzocht de rechtbank, na een periode van om en nabij één jaar, toestemming te verlenen voor de terugplaatsing van de kinderen bij moeder. De rechtbank ging akkoord. Echter, enkel onder de voorwaarde dat er tussen de grootouders en de kleinkinderen een omgangsregeling tot stand kwam. Kortom, ook zonder expliciete wettelijke bepaling behoeven grootouders en kleinkinderen niet zonder meer de dupe te zijn van wat voor problematiek dan ook van de ouders!

[1] https://www.plusonline.nl/mensen-meningen/oma-is-goud-waard

[2] Kamerstukken II, 2014/15, 34168 1-3

[3] Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, ECLI: NL:GHARL:2016:1045.

Uitgelichte berichten
Recente berichten
Archief
Zoeken op tags
Volg ons
  • Facebook Basic Square
  • Twitter Basic Square
  • Google+ Basic Square

Telefoon 045-571 4576

Fax 045-5713026

 

info@boumans-adv.nl

Openingstijden:

Ma-vr 8:30 tot 17:00 uur

Samenwerking

Algemene voorwaarden

Privacy statement

Klachten

  • Wix Facebook page
  • LinkedIn Social Icon